Let’s hype de ‘herstelindustrie’
Vakantie is een tijd van ‘recovery’, herstellen. Wil je de Tour de France winnen, dan blijkt herstelvermogen de crux te zijn. Tegelijk, herstellen klinkt als conservatief, vasthouden aan het bestaande, allesbehalve Vooruitgang.
Repareren, oplappen, dergelijke begrippen associëren we al snel met ‘gebrek aan beter’, achteruitgang, nostalgie. Voor Formule 1 races worden bolides gepreprareerd. Old Timers zijn wrakken die je voortdurend moet repareren.
Herstelpreparaten is in dit licht een soort contradictio in terminis, ruikt naar doping.
Misschien gelooft onze maatschappij langzamerhand niet meer onvoorwaardelijk in vooruitgang. De eeuwen van ‘discovery’, ontdekkingsreizigers, liggen ver achter ons. Wetenschappers blijven nog wel voortdurend bezig met exploratie. Maar ook in die bubble wankelt het vooruitgangsgeloof. De vraag rijst of we nieuwe vormen van herstel kunnen ontdekken, ontwikkelen, toepassen? Herstel dat we positief gaan duiden, waar we beter van worden.
In onze tijd houden we elkaar graag voor dat met duurzaamheid, energietransitie, natuurherstel geld valt te verdienen. En misschien is dat ook zo. Geld is immers niet meer dan een ruilmiddel.
Maar het ontwikkelen van een herstelindustrie, daar hoor en lees ik nog weinig over. Meestal komt het niet verder dan ‘afval bestaat niet’, recyclen in plaats van dumpen.
Up-cycling is voor veel mensen, voor veel bedrijven, al een stap te ver. Refurbishment dan? Jazeker, het woord reviseren kennen we al sinds we motoren bouwen en gebruiken, al heel lang dus. Is intussen bijna verdwenen in de marge van de economie. Maar refurbishment, hermeubileren zou je letterlijk kunnen vertalen uit het Engels, dat begrip is in opkomst. Gebruikte techniek zodanig herstellen dat het weer als nieuw, misschien wel met extra functionaliteit, verkocht en ingezet kan worden. Die markt groeit. Hele dure high tech, ASML machines, MRI scanners, vliegtuigen, ze worden lucratief ’refurbished’. Maar nog vrijwel altijd onder regie van de oorspronkelijke fabrikant. Niet in de laatste plaats omdat die wil voorkomen dat hij marktmacht verliest wanneer een ander bedrijf zijn producten concurrerend aanbiedt. Houdt de fabrikant zelf de refurbishmentketen in de hand, dan blijft hij ‘in control’. Het is onvolwassen, puberaal gedrag. Het frustreert de ontwikkeling van een onafhankelijke herstelindustrie.
Herstellen is overigens in het Duits het woord voor produceren, maken. Herstelindustrie betekent bij onze oosterburen wat wij ‘maakindustrie’ noemen!
In de installatiewereld herkennen we iets van de herstelgedachte in de woorden ‘revamp’ en ‘overhaul’. Die termen klonken en klinken, zeker al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, vaak in het Botlekgebied. De raffinaderijen en chemische fabrieken in Europoort zijn regelmatig onderhevig aan meer of minder ingrijpende ‘revamps’. Die zou je kunnen zien als hersteloperaties, ware het niet dat in de praktijk betrokken partijen in zo’n overhaul liefst zoveel mogelijk vernieuwen, retrofitten, in plaats van repareren. Daar is makkelijker snel geld mee te verdienen en je hoeft er minder bij na te denken. Kan zo ook een dankoffer aan de grote Vooruitgang blijven. Lleveranciers en installateurs vermijden graag dat er ‘repairbedrijven’ bij zo’n project worden ingeschakeld, tenzij het is om de boel te slopen.
Dit is dus een pleidooi voor verandering. Durf jezelf herstelindustrie te noemen. Laten we het woord gaan hypen. Gewoon in het Nederlands, dat oogt eerlijker. Er is altijd een boterham te verdienen met een logische, verantwoorde aanpak. Nee, geen woekerwinst, dat woord zegt het zelf. Woeker kost waarde, onvermijdelijk....