Waarom, waartoe en hoe we innoveren
Scrum en agile kwamen zo’n vijftien jaar geleden in zwang. Methodieken om systematisch te innoveren zouden het moeten zijn. Innovatie werd na 1980 het heilige streven. De naoorlogse wederopbouw bracht ongekende welvaartsgroei. Daarna liep de economie vast, verstarde.
Vrijbuiters versus managers
Nieuw elan, vernieuwing van onderop, startende jonge ondernemers begonnen te schudden aan oude logge bomen, grote bedrijven. Dat ging zo goed, dat innovatie een toverwoord werd. Vrijbuiters in garages groeiden uit tot machtige multinationals, met duizenden medewerkers. Maar hoe houd je die mentaliteit vast? Want als jouw doel is te blijven groeien en als groei bepaald wordt door innovatiekracht, dan moet je iets doen om te voorkomen dat je opnieuw log en star wordt.
Dus werden managementtechnieken ontwikkeld als scrum en agile, om de almaar complexere technologie te handlen. Complexiteit moest zorgen voor continue vernieuwing, voortdurend nieuwe gadgetfuncties, waarmee groei-impuls na groei-impuls kon worden gestapeld. En dan liefst zowel groei van omzet, als reductie van kosten. Innovatie deed je voortaan in groepen, niet langer in je eentje op een zolderkamer zonder internet. Dus, ‘managen’!
Jugaad
Intussen kwamen westerlingen het begrip ‘jugaad’ op het spoor. Aanvankelijk vooral de oude vrijbuiters, degenen die de lol van het omdenken niet inruilden bij het altaar van winstmaximalisatie. Jugaad is namelijk iets anders dan een managementtool. Het Hindu-woord Jugaad wordt in het Engels wel aangeduid als ‘frugal innovation’, sobere innovatie. Het is de filosofie van ‘als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan’.
Irrigatiebromfiets en kale couveuses
Als we niks anders hebben dan een oude bromfiets, dan fabrieken we daar wel wat schepradertjes aan om water op uitdrogende akkers te krijgen. Zijn de moderne complexe babycouveuses te duur en te ingewikkeld om op plekken waar geen geld en geen kennis voorhanden is, toch kinderen in leven te houden? Dan maken we ‘kale’ couveuses. Je zou het bijna ‘de-innovatie’ noemen. Jugaad is een prachtige en krachtige filosofie, eigenlijk van alle tijden.
Het gaat om oplossen van problemen, uitdagingen waarvoor je wordt gesteld, met behulp van de middelen die je ‘toevallig’ voorhanden hebt. We hebben die doelstelling voor innovatie inmiddels ingekapseld tot beperkte toepasbaarheid in crisissituaties: oorlogen, rampen, dakloosheid. Soms zoeken we zo’n situatie bewust op, dan heet het kamperen of survivallen. Maar zelfs dan nemen we een noodradio mee. Die moet dan wel aan een stekker of met een batterij opgeladen zijn, want de mechanische zwengel werd ‘geïnnoveerd’ tot een ondoelmatige gadget.
Datamodellen versus doelmatigheid
Daar zit de crux. Wat nu innovatie heet, moet vooral ‘verkopen’. Datamodellen beslissen welke aanpassingen aan producten gedaan worden. Winstmaximalisatie is het doel.
Creativiteit en doelmatigheid? We leven toch niet meer in de tijd van Robinson Crusoë? Indianen die vuur uit steentjes slaan worden opgesloten. Elke vorm van ‘inboorlingen’cultuur - mooi woord: ingeborene – offert ons systeem nog steeds zo snel mogelijk op het altaar van de winstmaximalisatie.