Tweede Kamer stemt in met bijmengverplichting groen gas
De Tweede Kamer heeft ingestemd met de Wet bijmengverplichting groen gas. Volgens de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) moet de wet investeringen in groen gas stimuleren en de afhankelijkheid van geïmporteerd aardgas verminderen. De NVDE hoopt dat de Eerste Kamer de wet snel behandelt, zodat de verplichting in 2027 kan ingaan.
De wet moet het aandeel groen gas in het Nederlandse gasverbruik verhogen van circa 1 procent nu naar ongeveer 3 procent in 2030. Volgens de NVDE zou zonder de bijmengverplichting in 2030 ruim een half miljard kubieke meter extra fossiel aardgas moeten worden geïmporteerd.
Olof van der Gaag, voorzitter van de NVDE, noemt groen gas een aanvulling op elektrificatie. "Elektrificatie is cruciaal, maar laten we niet de hele transitie over de stroomkabel proberen te persen. Ook groene warmte en duurzame gassen spelen een belangrijke rol. Groen gas is een flexibele schakel in het energiesysteem en helpt woningen en bedrijven te verduurzamen waar alternatieven voor aardgas schaars of duur zijn. Zo draagt het bij aan zowel onze klimaatdoelen als onze energieonafhankelijkheid."
Kansen voor mestvergisting
De NVDE ziet daarnaast mogelijkheden voor de landbouw. Mestvergisting en verbeterde mestverwerking kunnen volgens de organisatie, in combinatie met andere verduurzamingsmaatregelen op landbouwbedrijven, bijdragen aan een vermindering van methaan- en stikstofuitstoot.
De landbouw- en energiesector presenteerden in juli een gezamenlijke aanpak aan staatssecretaris De Bat. Daarin staat de ambitie om de groengasproductie in tien jaar minimaal te verdrievoudigen en een kwart van de stikstofuitstoot van de veestapel te verminderen. Volgens de NVDE zijn daarvoor naast de bijmengverplichting ook snellere vergunningverlening, financiële ondersteuning en regie vanuit het Rijk nodig.
De NVDE stelt dat ongeveer 60 procent van de Nederlandse elektriciteit hernieuwbaar is, tegenover circa 1 procent van het gas. De organisatie ziet groen gas daarom als een aanvullende route binnen de energietransitie, met name op plekken waar alternatieven voor aardgas beperkt beschikbaar zijn.